Lost In Transition

  • Door de geschiedenis heen heeft de stad als fenomeen een moeizame relatie gekend met het fenomeen tijd. Generatie na generatie is geprobeerd om de stad als product af te leveren als goed functionerende machine, maar dit is nooit gelukt. De stad verandert continu en valt in al zijn complexheid haast niet te begrijpen, laat staan te plannen. Die moeizame relatie met het fenomeen tijd heeft te maken met een conflict tussen twee verschillende interpretaties van het stadsbegrip: de stad als verzameling van gebouwde objecten en de stad als verzameling van activiteiten.

    De stad kan in eerste plaats worden gezien als fysieke morfologisch afgebakende eenheid die duidelijke verschillen kent ten opzichte van haar tegenpool namelijk het platteland. Dit is een stadsinterpretatie die hecht aan stedelijk symbolen als dichtheid, centrale ligging, compactheid en traditionele stedelijke beelden, zoals in de foto’s van Jacob Olie. Aan de andere kant is er het stadsbegrip dat de stad ziet als bundeling van activiteiten, gestuurd door onder anderen emoties, preferenties en relaties. De mens en zijn handelingen staan centraal. Het netwerk van al die activiteiten geeft de schaal van de stad aan. Beelden die bij de stad horen zijn in dit beeld dynamiek, chaos en drukte, zoals in de schilderijen van Brueghel. In beide interpretaties is de stad ook echt iets anders. In het eerste geval wordt met stad dat deel van de ruimte bedoeld dat intensief bebouwd is en stedelijke uiterlijke kenmerken vertoond zoals hoogbouw, historische centra en winkels; de klassieke interpretatie van de stad. In het tweede geval ontstaat het beeld van de netwerkstad. In dit beeld ontstaan er stedelijk regio’s waarin niet alleen de centra maar ook de omliggende delen onder invloed van stedelijke activiteiten staan. Er vormt zich een netwerk van relaties, contacten en activiteiten en bewegingen door de hele regio.

    Feitelijk bestaat de stad uit twee onderdelen: de harde en de zachte kant, het fysiek en het menselijke, het blijvende en het verdwijnende. Vooral in dit laatste huist een groot conflict dat altijd naar boven komt in het denken over de menselijke habitat. Hier is ook de moeizame relatie tussen stad en tijd mee verbonden. De voorstelling verandert, maar het decor wordt niet aangepast. De fysieke toestand past zich moeilijk aan ten opzichte van de veel snellere verandering van de menselijke activiteiten en patronen. De samenleving tornt daarom continu de balast van een jarenlange bouwkundige en architectonische inspanningen met zich mee. Bouwwerken zijn nodig, om gewoon in te slapen, te wonen, te leren, te werken en te bewegen, maar vormen ook een keurslijf dat de stedelijke dynamiek continu in de weg zit. Steeds vaker lijken gebouwen na twintig jaar al niet meer te voldoen aan de huidige eisen. Zes miljoen vierkante meter kantoorruimte staat leeg, terwijl ondertussen een schrijnend tekort aan bijvoorbeeld woningen en hotels bestaat. Terwijl juist in dit begrip ‘dynamiek’ één van de kernkwaliteiten van stedelijkheid schuilt.

    Er ontstaat in dit conflict een nieuw perspectief op de stad. De stad als tijdelijke manifestatie. Een toevallige gelijktijdigheid van een gebouwd fysiek en een patroon van menselijke activiteiten en emoties; de tijdelijk stad. De tijdelijke stad is een manier van kijken naar de stad als een doorgaand proces. De stad is het momentum, de toevallige staat van de samenleving in de eveneens toevallige staat van de fysieke huls van die samenleving op een bepaald moment. Bedrijven stellen hele andere eisen aan een ruimte vergeleken met twee decennia geleden. De stad is net als mode en design onderhevig aan trends die bepalen wat uitdagend of representatief is. Maar, niet alleen de activiteiten en beelden van de mensen veranderen continu. Ook de fysieke constellatie verandert, zij het langzamer. Een kantoorgebouw wordt verlaten, een huis wordt gebouwd, een boom moet verdwijnen en een station wordt vernieuwd.

    Mijn stelling is dat stedelijke ontwikkeling ideaal gesproken een resultante moet zijn van processen die in de samenleving spelen. De stad moet kunnen inspelen op de verandering die continu plaatsvindt. Daartoe moet gezocht worden naar andere vormen van gebruik van ruimtelijke niches die de reguliere stadsontwikkeling openlaat. Het idee-fixe dat gebouwen voor de eeuwigheid zijn moet worden bijgesteld. De tijd is rijp voor experimenten met gedachten over de flexibele ontwikkeling van de stad. De gebouwde omgeving moet meebewegen met de eisen die de samenleving daaraan stelt. Archigram – een avant-gardistisch Engels architectencollectief – speelde in de jaren zestig en zeventig met dergelijke ideeën. Zij zochten, gestuwd door nieuwe ontwikkelingen in de technologie, naar mobiele en veranderlijke stedelijke vormen, zoals in de projecten ‘The Walking City’ en ‘The Instant City’.

    Deze manier van kijken naar de stad zou kunnen worden gezien als een aanklacht tegen de waarde van blijvende structuren. Of als een postmoderne opvatting van het stedelijk wezen die toeval centraal stelt en niet gelooft in blijvende betekenis van het stadsbeeld. Door tijd centraal te stellen wordt de waarde van het blijvende ontkend. Tijd is namelijk de essentie van vergankelijkheid. Dit beeld echter vergt nuance. De nadruk op tijdelijkheid is eerder praktisch ingebed dan idealistisch van oorsprong. De waarde van het nog steeds functionerende deel van het stedelijk fysiek wordt niet in twijfel getrokken. Maar juist in de mismatch tussen tijd en ruimte ontstaat het probleem. Aan de ene kant de steeds sneller veranderende samenleving en aan de andere kant de stedelijke vorm die onwrikbaar lijkt. Het is ook een aanklacht tegen de modernistische opvatting in het hedendaagse bouwen, een stroming die als ‘Het Botte Bouwen’ kan worden gekenschetst. Waarbij het cijfer in de onderste balk van de Excel-tabelhet stedenbouwkundig programma bepaalt. Ondanks de neotraditionele en nostalgische architectonische kenmerken van de huidige nieuwbouw is het bouwproces puur op programma’s draaien gericht en zonder enige zeggenschap van de burger vormgegeven; een modernistisch relikwie uit jaren vijftig toen inderdaad een omvangrijk (wederop)bouwprogramma centraal uitgevoerd moest worden.

    Daarnaast is het een aanklacht tegen een sfeer van automatische behoudzucht, waar het stedelijke domein mee te maken heeft. Waardoor de stedelijke omgeving emotioneel, creatief en cultureel dicht lijkt te slibben. Het behouden van waardevolle bouwwerken of stedelijke structuren is belangrijk. Maar net als in andere kunstvormen is niet al het geproduceerde van klassieke waarde. In die zin zou gesteld kunnen worden dat ‘de tijdelijk stad’ een aanklacht is tegen de veronderstelde klassieke waarde van bebouwing in het algemeen. Slechts een aantal bouwwerken en planologische oplossingen kunnen als klassiek worden bestempeld en niet alles wat oud is. Al wordt dat in het algemeen wel zo gezien. Het is dan ook altijd een nieuw gebouw dat wordt aangemerkt als lelijkste gebouw van de stad.

    In het domein van letteren en van de muziek kunnen irrelevante producties in de loop van de geschiedenis weggeschoven worden. Klassiek houdt zoiets in als: blijvend van waarde. Dit geldt voor de toneelstukken van Shakespeare, voor de muziek van Bach en voor sommige boeken van Harry Mulisch. Het geldt niet voor de hitsingle ‘kom maar konijntje, kom maar wiebelen…’, ook al lijkt die op dit moment zeer relevant, en zeer goed aan te sluiten bij de sentimenten in de samenleving. Het geldt ook niet voor een column over de film van Geert Wilders. De context van het moment rechtvaardigen de uiting, maar er zijn geen klassieke woorden geschreven.

    Voor de bebouwde omgeving geldt dit ook. Grote delen zijn alleen gebouwd binnen de waan van een ogenschijnlijk maatschappelijk probleem, een vraag vanuit de samenleving of een trend in het denken over de stad of over de leefwijze van mensen. Met deze gebouwde werkelijkheid zitten we opgescheept, omdat de betrokkenen handelden vanuit de grote overtuiging dat hun gedachtengoed blijvende consequenties verdient. Er is een fysieke context ontstaan die stad wordt genoemd, en waar wij onze activiteiten op af dienen te stemmen. Die monofunctionele Vinexwijken liggen er nu eenmaal, dus moeten ook miljoenen mensen erin wonen. De context bepaalt het beeld van de volgende generatie. En weldra is het normaal en geaccepteerd. Terwijl we eigenlijk al inzien dat dit niet ideaal is. Waarom groeit Almere, massaal benoemd als lelijkste stad, toch het snelst?

    De tijdelijke stad is een ontkenning van de eeuwigheidswaarde van de stad die wij nu produceren. De wereld is niet af na ons. En we vergissen ons als we denken dat we de toekomst kunnen aanleggen. ‘De tijdelijke stad’ is enerzijds een vernieuwende zoektocht naar bouwvormen die weer kunnen verdwijnen. Aan de andere kant zijn tijdelijk invullingen zoals de markt, de woonboot, de kermis al eeuwen aan de orde van de dag, en meestal zeer succesvolle en hooggewaardeerde stedelijke concepten. Een nieuw modern denken is nodig. Waarin de stad een diffuse samensmelting is tussen de activiteiten van mensen en de fysieke objecten die daarin nodig zijn. Er moet geëxperimenteerd worden met nieuwe strategieën en methoden van ‘citymaking’ die flexibel dynamisch tijdelijk en mobiel kunnen zijn.

    This article has also been published on Filosofieblog.